De dopelingen gingen in de begintijd (bijna) naakt te water en kregen na hun doop een doopkleed. Een wit kleed dat aangaf dat de persoon nu bekleed was met Christus in een nieuw leven. Daar hebben de Roomse en Protestantse kerken de zogenaamde doopjurk aan overgehouden.
Sinds de negentiende eeuw draagt de baby bij het doopsel een lange witte doopjurk versierd met strikjes en veel kant. Vaak is de doopjurk al heel lang in een familie en worden alle nieuwe familieleden in deze jurk gedoopt. De vorm van de doopjurken loopt parallel aan de heersende mode. Zo hebben de doopjurken aan het begin van de negentiende eeuw een verhoogde taille, net als de japonnen van de vrouwen in die tijd. De geborduurde motieven zijn uiterst verfijnd. In het midden van het rokgedeelte, langs de zoom aan de onderkant, op het bovenlijfje en de kop van de mouw zit borduursel. De rest van de doopjurk is meestal onversierd.

Dat is geheel anders in het laatste kwart van de negentiende eeuw. De doopjurken zijn vanonder tot boven uitbundig voorzien van vele stroken kant, afgewisseld met geborduurde stroken. Het gebeurt nogal eens dat doopjurken in de loop der tijd versteld of veranderd zijn. Bijvoorbeeld omdat er delen kapot gegaan zijn. Wie nog een doopjurk bezit, kan eens kijken of alle onderdelen van de jurk wel bij elkaar horen. Soms is de versiering van het bovenlijfje anders dan die op het rokgedeelte.
Vaak wordt de doopjurk gemaakt van de trouwjapon van de moeder.

 De doop van prinses Amalia

Bovenstaande foto van de doop van prinses Amalia. Het prinsesje werd gedoopt in de doopjurk die speciaal voor Koningin Wilhelmina werd ontworpen. Daarna is het opnieuw gebruikt bij de doop van koningin Juliana, koningin Beatrix, prinses Christina en voor het laatst in 1967 bij de doop van prins Willem-Alexander. De jurk is 180 centimeter lang en van Brussels kant.

 

 

wouterRDe Doopjurk